De belichtingsdriehoek: sluitertijd, diafragma en ISO

Om de belichting van je foto goed te maken, is het handig om wat meer te leren over de belichtingsdriehoek.

De belichtingsdriehoek zijn de drie factoren die invloed hebben op de belichting van je foto: sluitertijd, diafragma en ISO. Je kunt ze elk afzonderlijk instellen, maar ze hebben alle drie met elkaar te maken. We leggen het uit.

Dit artikel legt je uit hoe de belichtingsdriehoek werkt. Wil je de afzonderlijke instellingen op je camera stap voor stap leren maken, met persoonlijke begeleiding en feedback op je foto’s? Schrijf je dan nu in voor onze cursus ‘de Belichtingsdriehoek’, die tijdelijk slechts 34,95 kost!

De belichtingsdriehoek: Sluitertijd, diafragma en ISO

De belichtingsdriehoek:  Sluitertijd

De sluitertijd bepaalt hoe lang er licht op de sensor van de camera valt. Het is letterlijk de tijd dat de sluiter open staat, en het licht doorlaat dat de foto vormt. Het wordt daarom ook wel belichtingstijd genoemd. Je kunt je misschien voorstellen dat er meer licht op de sensor valt als de sluiter langer open staat, en minder naarmate de sluitertijd korter is. Kies je voor een korte sluitertijd, en dus minder licht, dan zul je waarschijnlijk het diafragma verder moeten openen of de ISO moeten verhogen om een goed belichte foto te krijgen. In de sluiterprioriteit stand kiest je camera deze instellingen bij de door jou gekozen sluitertijd. Zo kun je je wellicht voorstellen dat een korte sluitertijd het beste werkt bij veel beschikbaar licht. Staat de sluiter lang open en beweegt het onderwerp, dan zie je die beweging terug in de foto. Om die beweging te bevriezen, zou je een kortere sluitertijd moeten kiezen.

De belichtingsdriehoek: Diafragma

De grootte van het diafragma wordt uitgedrukt in een f/getal en gemeten in stops. Een stop is een verdubbeling of halvering van de hoeveelheid licht dat de sensor van de camera bereikt bij het maken van een foto. Wanneer je het diafragma verder open zet, valt er meer licht op de sensor van je camera. De foto wordt dan lichter. Dit wordt uitgedrukt in een laag f/getal (bijvoorbeeld f/2.8). Maak je het diafragma iets nauwer, dan valt er minder licht op sensor en wordt je foto donkerder. Het f/getal wordt hoger (bijvoorbeeld f/11). De instelling van het diafragma bepaalt voor een groot deel hoe de scherptediepte in een foto is. Staat het diafragma helemaal wijd open (het laagste f/getal)? Dan is de scherptediepte het kleinst. De achtergrond is dus wazig, onscherp. Knijp je het diafragma meer dicht (een hoger f/getal) dan wordt de scherptediepte groter. Een groter gedeelte van de achtergrond is nu ook scherp in je foto te zien. Welke instelling je kiest, is dus van belang voor het uiteindelijke resultaat van je foto.

De belichtingsdriehoek: Sluitertijd, diafragma en ISO

De belichtingsdriehoek:  ISO

ISO is de lichtgevoeligheid van je camera. Een hoger ISO getal betekent hogere lichtgevoeligheid. In omstandigheden met weinig licht, waar je het diafragma zo ver mogelijk open hebt en de sluitertijd zo lang als kan terwijl je foto’s scherp blijven, kun je de ISO hoger zetten om een goed belichte foto te krijgen. Andersom geldt, wil je overdag een waterval fotograferen met wat bewegingsonscherpte door een lage sluitertijd, dan moet je ISO niet te hoog staan.
Er zit alleen een nadeel aan. Een hoge ISO waarde kan ruis in je foto veroorzaken, vooral in de effen en donkere delen, zoals donkere schaduwen maar ook gezichten.

Welke waarden je kiest voor de afzonderlijke instellingen is afhankelijk van het soort foto dat je wilt maken. Experimenteer veel en begin eventueel met de half-automatische standen, sluiterprioriteit en diafragmaprioriteit. In deel 2 leggen we je uit hoe je nu weet of je foto juist belicht is.