De automatische standen op je camera

Als je net begint met fotografie, zul je waarschijnlijk op de automatische stand fotograferen. Daar is niets mis mee, want nu kun je je richten op het zoeken naar goede onderwerpen en een mooie compositie. Op je camera staan echter allerlei verschillende automatische standen, ook wel scene programma’s genoemd. Wat is het verschil?

Uiteindelijk wil je waarschijnlijk leren begrijpen hoe je zelf de instellingen kunt maken, en zo meer controle over je foto krijgen. Een tip: na het volgen van onze online cursus ben je nooit meer afhankelijk van de automatische stand. Lees hier meer. Tot die tijd is het goed om te begrijpen wat de verschillende programma standen zijn en welke je het beste kunt kiezen.

automatische stand, scenes, programma, modus, stand, dslr, systeemcamera, instellingen

Draaiwieltje met verschillende automatische standen

Op de meeste camera’s zit bovenin een draaiwieltje. In sommige gevallen zul je in het menu moeten zoeken. Laten we uitgaan van een draaiwieltje, het principe blijft hetzelfde. In veel gevallen heb je een soort bloemetje (macro), een rennend poppetje (sport), een berg met een wolk (of een net uitbarstende vulkaan, net hoe je het wil zien) voor landschappen en een gezichtje voor portret. Bij nieuwere camera’s zijn deze icoontjes op het draaiwiel in sommige gevallen vervangen door de letters ‘SCN’. Kies je deze, dan kun je in het menu op het scherm een keuze maken uit een scene programma. Ik ga hier uit van Canon, maar de standen zijn bij de meeste merken min of meer gelijk.

Verschillende standen: Portret

Bij een portret bij bestaand licht wil je dat de achtergrond onscherp is. Daarom kiest de camera voor een grote diafragmaopening. Dit betekent dat een kleiner gedeelte van de foto scherp is. Het gezicht is scherp, maar de achtergrond (en voorgrond, maar daar is meestal niets te zien) in mooi onscherp. Op die manier komt het onderwerp mooi los van de achtergrond. Als je verder inzoomt, wordt dat effect nog sterker.

cursussen, online cursus fotografie

Landschap

Een landschapsfoto is bijna het tegenovergestelde van een portretfoto. Het verlangt een grote scherptediepte; zoveel mogelijk in de foto moet scherp zijn. Daarom kiest de camera in dit geval een klein diafragma. Dat betekent dat de iris, waardoor het licht valt kleiner is. Je kunt je misschien voorstellen dat er dan ook minder licht doorheen komt. Dat zal de camera moeten compenseren, om je foto goed belicht te krijgen. Daarom kun je sneller bewegingen zien, die je bijvoorbeeld veroorzaakt met je hand. Een statief is dan ook aan te raden.

Closeup

Het programma Close-up voor bloemen, voedsel en dergelijke kiest camera-instellingen om van dichtbij te fotograferen, maar eigenlijk zou je daarvoor ook een speciale lens nodig hebben. De camera zal in deze instelling, dichtbij scherpstellen. Ook hier is een statief aan te raden, omdat hetgeen je wil fotograferen in de meeste gevallen klein (of een klein detail) zal zijn.

Sport stand

Bewegende onderwerpen, van spelende kinderen tot sport, fotografeer zijn lastig te fotograferen. In deze instelling zal de camera proberen de beweging te bevriezen. Dat doet hij door te kiezen voor korte sluitertijden; het licht valt maar heel kort op de sensor. Je kunt dat horen, want bij een langere sluitertijd zit er langer tussen de twee typische ‘foto klik-geluidjes’. De camera is voorbereid op beweging, en zal ook de autofocus daarop aanpassen. Waarschijnlijk kiest je camera ook voor ‘burst-mode’, zodat je de sluiter ingedrukt kunt houden en de camera snel achter elkaar foto’s blijft maken. Snel bewegende onderwerpen blijven lastig, en je vergroot de kans op een scherpe foto door het onderwerp naar je toe te laten bewegen.

Nacht modus

Een portret in de avond in een stad is een heel specifiek onderwerp. De camera zal waarschijnlijk de flitser activeren en/of kiezen voor een lange sluitertijd. Doordat de sluiter langer open staat, komt er meer licht op de sensor en krijg je een beter belichte foto. Omdat je bewegingen van je hand bij een lange sluitertijd meestal terugziet in de vorm van een onscherpe foto, kun je beter een statief gebruiken of je camera ergens op zetten. De flitser van je camera is niet heel sterk en klein, wat betekent dat ‘ie niet sterk genoeg is om veraf te belichten en voor een onderwerp dat dichtbij is vaak te hard licht geeft.

automatische stand, scenes, programma, modus, stand, dslr, systeemcamera, instellingen

Uiteindelijk is het goed om te begrijpen hoe belichting werkt en hoe je deze kunt instellen in je camera. Maar stapsgewijs kun je dat op deze manier ook leren. Wanneer je je foto op de computer zet, kun je namelijk de zogenaamde ‘EXIF’ data zien. Dat zijn de instellingen die de camera heeft gekozen voor die foto: de diafragmaopening, de sluitertijd en de ISO. Zo kun je leren van de voorgeprogrammeerde instellingen en wat ervaring opdoen als fotograaf!